I
WATAPANA
WATAPANA
verschijnt driemaal per jaar
REDAKTIE
H. HABIBE, MEVR. G. PESTANA, O. KWAS, A. DAAL
SEKRETARIAAT
H. HABIBE
MALVERT 67 - 55
NIJMEGEN, NEDERLAND
ABONNEMENT
per jaargang f. 7,~(Ned.)
Voor de Antillen N.A. f. 5,-
Girorekening 1634245
Men kan zich uitsluitend abonneren voor de gehele jaargang
WATAPANA
LITERAIR TIJDSCHRIFT VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN
Jaargang I Nr. 2 November 1968
1
■
MEDEDELING
Direct na het verschijnen van het eerste nummer van "Watapana" (juli '68),
hebben wij de medewerking toegezegd gekregen van Sticusa, waarvoor wij
onze oprechte dank willen betuigen.
Van verschillende instanties, zowel in Nederland als in de Antillen, hebben
wij gelukwensen mogen ontvangen met het oprichten van dit blad. Verder is
van een groep mensen reeds hun jaarlijkse contributie binnengekomen.
De stimulerende uitwerking van dit alles is niet uitgebleven:
wij kunnen voorlopig blijven draaien.
Met Uw aller medewerking zullen wij proberen dit blad zo lang mogelijk in
leven te houden. Niet alleen Uw jaarlijkse contributie is daarvoor een vereiste,
maar ook eventuele copij.
Wat dit laatste betreft, denken wij voornamelijk aan die groep jongeren in de
Antillen, die zich de laatste tijd zo actief bezighoudt met het zoeken naar de
eigen identiteit.
Uw copij (bv. gedichten, lit. essays en kritieken, artikelen over de Antilliaan¬
se schilderkunst en muziek) hoeft niet in het Nederlands, doch kan ook in het
Spaans of Papiamento gesteld worden. Vergeet niet dat "Watapana" een
Antilliaans tijdschrift is! !
Tenslotte willen wij U mededelen, dat wij van de linguïstische verhandeling
"Orfgenes y evolución del Papiamentu", waarvan de eerste aflevering in dit
nummer is opgenomen, een korte samenvatting in het Nederlands hopen te
geven in een volgend nummer.
Redactie
2
MALESA
Un herida
ta grawatá
den entraña di te ra
i vruminga
ta maltratá
tur SU kara di lepra:
watapana
ta pidi pan
den un mondi na jaga
i warawara
ta pipitá
den un shelo di plata.
Henry Habibe
LANTA PARA, WATAPANA!
Lanta para, watapana!
Baha barank'i nostalgia
fo'i bo lomba,
doblá te na tera.
Lanta bo kurpa na laria,
manera kadushi di sabana,
hankrá den trankera.
Lanta para, watapana!
Pinta un indján den bo kara
i klaba bo fléchanan
den e shelo di plata.
Ranka vigor fo'i bo brasa
i graba viktoria den
bo palo bi bandera.
Henry Habibe
3
SI NOS ALMA SKUCHA
Si nos alma skucha. . .
kwántu kos 1'é n'komprendé;
kwántu pensamentu tristu,
sin speransa i sin lus,
lo no para bira
fwente di legri'a, lus i fe
ku ta konsolá i duna bida.
Den nos móndinan privá
di bërdë, lo nos mira
man di Dios i su poder
ora awa kai i solo para
pinta anglo riba kweru
di nos tera maltratá. . .
Kón manera un artista,
lagadishi ku su rabu
kje bin' toka un serenada
riba wiri di un blachi
ku a seka bbw 'i un palu;
bf zonido den djanochi
di mil kriki ku ta parse
stêm di Dios den skuridat,
pa nos sá ku, asta, ej
tin bejesa, si nos skucha;
den kantika'i jonkumán
di nos bjentu ’i ost baldadi,
ku ta hunga kuri-kwé
ku SU mes den un mondi 'i datu
o den palu di maishi
ora nochi ta baj sera,
o maïhta ora un tbw di para
para blbr na kant'i dam
unda nan ta jega bon temprán
pa bin bebe, baña i bati
bleki, promé solo bolbe sali.
I ora nübjanan aja 'riba
blanku-blanku, sin purá,
krusa un shelu blbw i kla,
tá manera man di Dios
ku ta skirbi su grandesa
déntr di nos kurasón,
si nos alma sá di skucha. . .
Luis H
Daal
4
Luis Daal in poëtisch perspectief
In 1963 maakt Luis Daal, voor zover ik weet de eerste en tot nu toe de enige
mysticus onder de Antilliaanse dichters, zijn debuut als dichter; hij doet dit
met een gedichtenbundel, waaraan hij de titel "Kosecha di Maloa” geeft.
"Maloa" is een soort mal's, dat snel wast en dus vroeg geoogst wordt en dat
als voer gebruikt wordt voor de dieren. Wij zouden dus deze titel vrij kunnen
vertalen met 'Vroege marsoogst”.
Deze bundel omvat een vijftigtal gedichten in het Papiamento, gedichten waar¬
uit soms een sterk individualisme spreekt in de trant van Guido Gezelle.
De bundel bestaat uit vier delen: wortel, stam, blad en bloem. Vooral het
eerste deel verdient de aandacht, omdat de dichter daarin een beschrijving
geeft van de bouwstenen van zijn gevoelsleven. Zeer suggestief weet hij de
ontwikkeling van een mensenleven te schetsen. Zo zien we hem in het eerste
gedicht "Bbwtismo" (Doopsel) a. h. w. geboren worden op een eiland in de
Caribische Zee.
In het tweede gedicht richt hij zich tot zijn vader, zijn goddelijke Vader, met*
zijn "Orashón di tur dfa", zijn gebed van elke dag.
Het derde gedicht, dat een synthese is van een hard leven op aarde met opof¬
feringen, m.a.w. offers, getuigt van een zeer humane levensbeschouwing. In
de tweede strofe daarvan heeft de dichter het over "een geruite vloer, bestaan¬
de uit witte en zwarte vierkanten", waarmee hij waarschijnlijk duidt op de
noodzakelijke samenwerking tussen de verschillende rassen.
En in het vierde gedicht is het alsof zijn goddelijke Vader zich tot hem wendt
om hem aan te sporen zijn "Lus di adéntr", zijn innerlijk licht, te laten bran¬
den, het licht, dat hij diep in zich heeft en dat hij alleen kan ontsteken.
Het vijfde gedicht "Te aworó, lamán", is een afscheidslied, waarin hij afscheid
neemt van het eiland om er weer op terug te komen in het daaropvolgende ge¬
dicht "Bida ripiti"".
"Bida ripitf", een leven dat zich herhaald heeft, een wederervaren van een
vroeger leven, m.a.w. een zinspeling op zielsverhuizing, een thema dat Daal
trouwens ook aan de orde stelt in zijn gedicht in het Nederlands "Zielsverhui¬
zing".
Uit de laatste gedichten van het eerste deel spreekt een duidelijk doodsbesef;
de dichter confronteert zich met de dood. Hij heeft dan reeds een groot ge¬
deelte van zijn leven achter de rug, kent het leven.en zichzelf. Hij bereidt
zich nu voor op de dood. In "Morto deseá" (Verlangde dood) spreekt hij de wens
uit stil en onopvallend te mogen sterven, buiten in de vrije natuur, zoals een
veldbloem dat doet.
De dichter heeft hier een heel bijzondere sfeer geschapen.
Dit gedicht ademt niet de weemoedige en beangstigende stemming van "Atardi"
(Schemering), het eerste gedicht, dat in het Papiamento geschreven werd door
J. S. Gors en.
Integendeel, Luis Daal is rustig gestemd, niet droefgeestig, maar sereen,
ontspannen, omdat hij, na zijn dood, een nieuw leven verwacht, zoals hij laat
uitkomen in het gedicht "Kaminda largu", de lange Weg.
Een opvallende trek in het poëtisch oeuvre van Luis Daal is het feit, dat hij
oog heeft voor het leven van al het kleine. Als hij b. v. in het zojuist genoemde
gedicht "Verlangde dood" in het natte gras ligt (zijn doodsbed) en opziet naar
de sterrenhemel, wordt hij niet de oneindigheid gewaar, als wel de veelheid
van die lichtjes : zij zullen zijn doodskaarsen zijn.
De wind zal dan de enige stem zijn, die om zijn dood weent en "de tranen van
de avonddauw" - zegt hij - "zullen over zijn aangezicht lopen".
In die ontroerend schoon getekende eenzaamheid zal zijn lijk tot as moeten
5
vergaan en een deel van de wind gaan uitmaken.
Met het gedicht ’'Si nos alma skucha" (Als onze ziel eens luistert), besluit
Luis Daal het eerste deel van zijn bundel. Het is één van de mooiste gedichten
uit de hele bundel, al moet hier opgemerkt worden, dat er enkele storende
elementen in voorkomen.
In dit gedicht merken wij eerst goed, hoe scherp het waarnemingsvermogen
van de dichter eigenlijk is. Het is alsof hij ons daar wil wijzen wáár we het
geluk moeten zoeken. Menigeen ziet het leven als een aaneenschakeling van
bloedvergieten en gewelddaden. Pierre Lauffer, een tijdgenoot van Luis Daal,
heeft eens in een gedicht gezegd, dat het leven "een wond" is. "Je tobt ermee,
wast en verzorgt het, ziet het opgroeien en tenslotte in je hand wegrotten naar
de dood toe. ..."
Maar Luis Daal beschouwt dit aardse leven met de ogen van het geloof en van
de bovennatuurlijke liefde. Hij probeert ons de andere kant - de goede kant -
van het leven te tonen. Als een Guido Gezelle bij zijn "Ruischend, ranke riet"
begeeft ook hij zich naar de stille plekken van de "kunuku", opdat God zich
daar op een meer voelbare wijze openbaart aan zijn ziel.
Wat een schoonheid, wát een geluk vindt men juist op deze kale, uitgedroogde
plekken.als onze ziel maar luistert!
Het gedicht begint met een overweging:
Als onze ziel eens luistert.
wat zou ze allemaal niet begrijpen,
hoeveel sombere gedachten,
zonder hoop en zonder licht,
zouden niet een geluksbron worden,
licht en geloof,
die vertroosting en leven schenken.
Vervolgens de waarneming en de beschrijving van de natuur:
In onze velden, beroofd van groen,
zullen wij God’s hand en macht zien,
wanneer het geregend heeft en de zon
paardenbloemetjes staat te schilderen
op de huid van ons verwaarloosde eiland.
's Nachts lijkt het alsof het gezang van duizenden krekels de dichter met de
stem van God vervult. En als de nacht voorbij is en de prachtige witte wolken
de helderblauwe hemel langzaam doorkruisen, is het alsof God Zijn grootheid
in zijn hart aan het schrijven is.als onze ziel eens luistert!
Het is jammer, dat hier een woord als "baldadi", dat zoiets als ondeugend
betekent en dat als adjectief gebruikt wordt bij de wind, bepaald uit de toon
valt. Verder stoort een versregel als:
"un tbw di para para blèr. ... ", een stelletje vogels staat te schreeuwen.
Dit doet, volgens mij, afbreuk aan het geheel van dit zeer verheven onderwerp,
omdat deze woorden een naar het vulgair neigend beeld voor de geest roepen.
Maar ondanks deze minder doeltreffend gekozen woorden, is dit m.i. één van
de mooiste gedichten uit de hele bundel en blijven we hier te maken hebben met
een dichter, die in de landstaal van de Antillen, het Papiamento, enkele zeer
tedere, innig doorvoelde godsdienstige verzen heeft gegoten.
Een dichter, die uiting heeft weten te geven aan zijn persoonlijk doorleefde
gevoeligheid: gevoeligheid t. o. v. de waargenomen natuur, t. o. v. de eigen
zielsbewegingen, t.o.v. God.
H. Habibe
6
Worsteling om God
Ons levens strijdperk dan is hier beneden
in bns; de strijd, ons dorsten naar het Licht;
maar onbewust verweeft de strijder zich
van meetaf aan met hem die wordt bestreden.
Dit moeizaam zoeken naar Gods aangezicht,
is soms bewust omlijnd, dan vaag verweven
met deze kruistocht van de ziel, een streven
onzegg'lijk groots, een zucht naar ruimer uitzicht.
Vertwijfeld door 't besef slechts mens te zijn
en God in sluimer in zichzelf te weten,
ontspruiten ons twee vleugels en een keten
die slechts te slaken is door zielepijn,
geen foltering maar wapen onvolprezen
in deze worsteling om Gods te wezen.
Luis H. Daal
Zielsverhuizing
De varens sterven in de herfst
en van hun weelderig bestaan
blijft slechts de knoest, de wortel over.
Ook van het leven van de mens
is het de Kiem die immer blijft. . .
Wat weten varens in de lente
van gindse ver gevloden leven
in een voorbije herfst zo vaag?
Leefden ze toen of is het nu
dat zij bewust dit lot beleven?
Zo ook, wat weet de mens, gejaagd
en opgejaagd, van vroegere levens
wanneer zijn voorjaarsmensbewustzijn
helaas hem scheidt van gene herfst
waarin hij als een varen stierf
om in dit voorjaar te ontwaken,
herboren uit de Kiem die blijft?
Luis H. Daal
7
Letterkunde in de Nederlandse Antillen in het Nederlands.
Wanneer ik nu de Nederlandse school in de Antillen ga behandelen, wil ik mij
beperken tot de voornaamste Antilliaanse schrijvers, die hun gedachten en
gevoelens in het Nederlands aan het papier hebben toevertrouwd. In de eerste
plaats moet worden genoemd de schrijver-dichter Colá Debrot, niet om pro-
tocolaire motieven - hij is thans gouverneur van de Nederlandse Antillen -
maar omdat hij kan worden beschouwd als een pionier, die reeds in 1934 de
Nederlandse litteratuur heeft verrijkt met "Mijn zuster de negerin", een no¬
velle waarvoor Menno ter Braak het predikaat "Meesterlijk" heeft gehanteerd.
Ik kan mij nog steeds niet aan de indruk onttrekken dat de warme ontvangst, die
dit boek ten deel is gevallen in de Nederlandse litteraire wereld de schrijver,
om zo te zeggen, de stuipen op het lijf heeft gejaagd. De Antilliaan laat zich '
nl. ^niet graag in het hart kijken en de grote kracht van "Mijn zuster de nege¬
rin acht ik^j'uist het feit, dat Colá Debrot zich in dit werk doet kennen als een
romanticus pur sang". Zijn latere werken, die alle iets cerebraals hebben
meegekregen (ik denk aan Bid voor Camille Willocq") overtuigen mij veel
minder. Zelfs het luchtige "Bokaal aan de lippen" heeft iets krampachtigs.
Zijn gedichtenbundeltjes vertonen naast zeer gevoelige strofen ook een enkele
keer iets hoekigs. Debrot is op zijn best als hij zich laat gaan, zoals b. v. in
deze strofe:
Ach, alle mensen wegen
Zij voeren tot de pijn
Nu moet ik haar verplegen
Ik die verpleegd wou zijn. . .
"De Stoep"
Toen in 1940 het tijdschrift "De Stoep" werd opgericht door Luc Tournier
(pseudoniem van de arts Chris Engels) lag het kennelijk in de bedoeling om de
Nederlandse litteratoren die door de oorlog in Nederland hun produkten niet
kwijt konden, in de gelegenheid te stellen zich te uiten. Verschillende Neder¬
landse schrijvers en dichters hebben hiervan dankbaar gebruik gemaakt, zo-
als b. V. Adriaan van der Veen, Leo Vroman, Jan van Nijlen. De verrassing
van De Stoep" bestaat echter hierin, dat een paar Antilliaanse landgenoten,
lieden waarmee je bijna dagelijks in aanraking kwam en van wiens dichterlijke
ader geen mens praktisch een flauwe notie had, zich plotseling aandienden. De
belangrijkste zijn Oda Blinder, Charles Corsen en Tip Marugg. Oda Blinder
(pseudoniem van Yolanda Corsen, een kleindochter van meergenoemde Joseph
Sickman) weeklaagt in veel van haar gedichten over een niet beantwoorde liefde:
Geschonken heb ik
mijn stille hoop
door vrees geboren
laat me liefste
als het kan
je wrede passie
toebehoren.
Haar broer Charles C orsen is surrealistischer zoals b. v. in "Kreeft en chocolade".
In een geel land met gele bomen
gesluierd in oranje toog
met eeltwormen in mijn hersens, vloog
ik op een lege tube
door een zeer klein sleutelgat.
8
De dichter Tip Marugg, die een paar prachtige gedichten op zijn naam heeft
staan, heeft met het boek "Weekend Pelgrimage^’ (redactie r onlangs is ver¬
schenen zijn tweede roman "in de straten van Tepalka") de sfeer en de een¬
zaamheid van een vrijgezel op Curaçao zo pregnant getekend, dat ik de ver¬
zoeking dan ook moeilijk kan weerstaan om een klein fragment weer te geven:
"Soms droom ik van een klein, rustig eiland, een eiland met een altijd blauwe
hemel en omringd door een altijd blauwe zee en met veel zon. Dan realiseer
ik mij plotseling hoe belachelijk deze wensdroom is : ik woon op zulk een
eiland met blauwe hemel, blauwe zee en zon. Ligt het dan dus niet aan de
plaats, maar aan mijzelf? Nogal wiedes, ik heb dat toch altijd geweten! Ik
heb voldoende boeken over psychiatrie en dergelijke aanverwante onderwerpen
gelezen. Droom je van een heerlijke ontvluchting naar een zonnig eiland? Dan
is dat eiland uit je dromen het symbool voor de nog onbekende landschappen
in je eigen ziel. Klaar als een klontje!
heimwee en weemoed
In de vijftiger járen zijn het vooral de dichteres Alette Beaujon en de dichter*
Frank Martinus Arion, die de aandacht vragen. Terwijl in de gedichten van de
eerste duidelijk een heimwee naar de Antillen herkenbaar is, een romantisch
verlangen naar een onbezorgde jeugd doorklinkt, treffen wij bij Martinus Arion
aan een weemoed naar het land van herkomst van de neger. De titels van de
bundeltjes spreken voor zichzelf: Alette Beaujon publiceerde "Gedichten aan
de Baai en elders", van Frank Martinus verscheen "Stemmen uit Afrika".
Eén van zijn gedichten laat ik hier volgen:
Eens zijn alle negers
tamtammend uitgevaren
uit hun zwart-ompaalde
negorijen.
hun prauwen schoten
over de rivieren
dwalend door het woud.
eens, maar eens is ver
en eens is langgeleden.
nu gaan zij als karbouwen
mak-geslagen, lam,
beroofd van hun tam-tam
en slepen stenen aan
waar anderen bouwen.
De meest bekende Antilliaan die in het Nederlands publiceert, is ongetwijfeld
Boeli van Leeuwen. Hij is dus niet wat velen ten onrechte menen, een op
Curaçao woonachtige Nederlandse auteur, maar een geboren en getogen
Curaçaoenaar, met een grote liefde voor zijn land, een liefde, die het hem
mogelijk maakt de juiste atmosfeer te scheppen. Voor zijn debuut "De rots der
struikeling" ontving hij de Vijverbergprijs. Later volgden "Een vreemdeling
op aarde" en "De eerste Adam". Wanneer Jan Greshoff in een recensie over
"De rots der Struikeling" spreekt van "mengsel van welslagen en mislukking"
dan heeft hij op het oog, het feit, dat dit boek, evenals trouwens de beide an¬
dere, authentiek en fascinerend is, maar qua stijl naast prachtige, onvoor¬
stelbaar mooie passages mankgaat aan volkomen onnodige slordigheden.
9
Indachtig het adagium "le style c'est 1'homme" zal ik de laatste ziin om hem
dit kwalijk te nemen.
"Een vreemdeling op aarde*'
Ik moge besluiten met een fragment, uit "Een vreemdeling op aarde", waarin
Boeli van Leeuwen een beschrijving geeft van Curaçao, die moeilijk te over¬
treffen IS:
Het schip voer tussen de oude forten de haven binnen: in de verte schitterden
de olietanks in het jonge morgenlicht en tegen de blauw-grijze lucht hingen
rookpluimen. In de snelklarende hemel was de eeuwige vlam nog net zichtbaar
De brug lag als een verstijfde rups in het water langs het Brionplein In de
straten reden een paar auto's; aan de De Ruyterkade bolden de tentzeilen van
de Venezolaanse barkjes boven de straat. Schepen langs de kaden: op de tan¬
kers ma^en die geeuwend hun groezelige shorts optrokken, waarna ze zich
loom onder de oksels krabden. Toen begon het schip te sidderen als een dier
in nood en de kielzog werd troebel door het zand, dat door de achteruitslaande
schroef omhoog werd gestuwd. Langzaam dreef het schip, gevangen in gebogen
lijnen, op de kade toe. Hij zag lorries en vrachtauto's staan wachten: douane-
personeel in lichtbruine uniformen met aktetassen onder de arm. Kékb met
wie hij als jongen in de klas had gezeten, stond ook te wachten; hij kwam voor
de agent inklaren. Hij zag er mager en goor uit en had een kromme rug ge¬
kregen die van voren, in een sierlijke boog, overging in een hangbuik. God
allemachtig, dacht hij geschrokken, ben ik ook in die paar jaar zo verouderd*?
Toen de meertouwen rond de stalen dukdalven werden aangetrokken, zag hii
achter het raam van een huurauto het gezicht van zijn vader".
drs. J. Ph. de Palm
IN DE STRATEN VAN TEPALKA
De lichtgroene maan
blinkt
op dit verplichte zwijgen;
geen zucht verbreekt de aureool
die ik om uw lichaam vlocht.
Witte vlokken
zwemmen in mijn ziel
naar het schuim in de lach der sterren
en voegen zich bij de begeerten
die elke dag weer sterven.
Schaduwen schuiven.
Een lichtstraal
brandt tot op mijn huid.
In de straten van Tepalka
braken vrouwen dobbelstenen.
Tip Marugg
10
DOBBELSTENEN IN TEPALKA
Cartomantica
Ik heb melk gedronken
en een berg beklommen
maar vond niet het hazenpad
waar Eros had gesluimerd.
Tussen twee paardenpoten door
had de avondwind gewaaid
tot op mijn ruige borst.
Zo te sterven.
Tussen harde rotsen
met het zonlicht in mijn ogen.
Tip Marugg
Twee Kwatrijnen
Schoon gelijk een schutblad
betrad ik ’t kronkelig pad
dat voerde naar Boven;
de kroeg was nog open.
Ik heb gevaren in uw schoot
en zeeziek van de schommelingen
gelachen om de dommelingen
die bang zijn van de dood.
Tip Marugg
In de Goot
Ach,
neem de hemel als getuige
dwing de ketter naar omlaag.
Speel met knikkers
aan je lichaam
en graaf een kuil voor je’man.
Het bij werk aan je body
verricht een ander later wel.
Tip Marugg
11
OP DE BANK IN HET PARK
Lang zat ze op de bank in het park
en wachtte -
de zon kwam op;
de wind zaaide zwarte vlinders
tussen knekels van een hond.
Een schrale kip
bond
een worm een strik om de hals;
een vogel viel uit
hel hoog en
vals
met dubbele trillers
van vergane rijkdomm¬
en toch zat ze daar op de bank in het park,
en wachtte -
de sterren
spraken bedekt mijn naam,
de grond werd vochtig,
tezaam
met dauw en morgen wind
sprongen de vliegen
uit moerassen
van de dromen op,
ze dansten
(de vlinders vormden allang een krans)
mijn smarten
uit
voor de nacht,
de zon nam hun beden,
en deed hen vergeten
dat na de zon
nog een zon
van een zon zal schijnen,
maar tussen dit hels en hemels lawaai,
steeds zat ze op de bank in het park
en wachtte.
Charles Corsen
12
De warmte van Curaçao
Grijs
Is de bodem
De grond
Het gebladerte
Want de divi-divi heeft geen water
De zon verscheurt de wolken
Een geit eet rotsen
En bedriegt de Dood
Alleen de cactus heeft water
Maar de cactus heeft naalden.
De Noordoost-passaat is een vrouw
Die met koele hand streelt
De windmolens traag draait
Maar het water meevoert
Over de heuvels
Weg van de rotsen
En het hijgende zand
Dat bloedt
Korstig openbarst.
Mijn wonde.
Henk Dennert
De ontwortelden
Hun land is Caribisch tropen
Hun land is koud Europa
Hun land is ver, onbekend Afrika
Zij zijn blank en zwart
In het nieuwe land
Dat zij zelf zijn
Met hun dozijn vreemde cultuurpatronen.
Hun ritme klinkt uit Goudkust-Guinée
Hun melodie uit Wenen en Parijs
Hun taal is een gemengd idee
Van neger, jood, zweed en brabander
Voor de nieuwe mens
Die zij eigenlijk zijn
Met hun stille, vragende gedachten.
Henk Dennert
13
Orïgenes y evolución del Papiamentu : Pr. H.L.A. van Wijk
No aspira este artïculo a dar una caracterización completa del Papiamentu,
sino sólo a esbozar los orïgenes y la evolución de tan curiosa lengua. Las
opiniones de los lingüistas sobre los orïgenes y composición del Papiamentu
muestran gran divergencia. Buena prueba de ello son las definiciones del
curazoleño que nos encontramos en enciclopedias: "holandés chapurreado por
los indïgenas de las Indias Occidentales", "español corrompido”, "negro-
español^, "una jerga a base principalmente de un castellano simplificado",
"a mixture of Dutch, Spanish, English, French, Portuguese, African and
Indian", "un idioma compuesto principalmente de elementos castellanos y
holandés es" y otros por el estilo.
Segdn los datos de que dispongo, la más antigua definición del Papiamentu la
debemos al Padre Alexius Schabel, que durante muchos años ejerció su
apostolado entre los indios de Venezuela y hacia 1704, tras una breve estancia
en Curazao, escribió que los esclavos negros de esta isla hablaban un español
chapurreado.
A principios del siglo XIX, el ministro protestante G. P. Bosch, nombrado en
Curazao en 1815, expuso la opinión de que una "lengua" como el Papiamentu
es perjudicial para el desarrollo de la inteligencia y para el conocimiento del
holandés.
Si el ministro protestante Bosch calificaba el Papiamentu de lengua, ya fuera
ello, aña diendo el epïteto de perjudicial, el curazoleño Abraham Jessurun
llegó más lejos en su crïtica aiirmando en la Segunda Memoria de la "Ge¬
schiedkundige-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap (=Sociedad de
Historia, Lingüistica, Geografïa y Etnograffa) de 1898 simple y escuetamente:
"El Papiamentu no es lengua". Un diputado de los Estados de Curazao pro-
clamó hace pocos años que el Papiamentu no es idioma independiente, sino
un "patois".
Como vemos, reina, pues, en el campo de los lingüistas y estudiosos gran
diversidad de opiniones en cuanto a los orïgenes del vehïculo de expresión
que queda limitado a las tres islas de Sotavento. (Aruba, Bonaire y Curazao;
red. )
Con razón observa el Sr. , W. J. van Balen, el gran conocedor de las naciones
de habla española y portuguesa, en su estudio '^apiamentoe en Portugees" que
todos los autores que se han aventurado a lanzar teorïas sobre los orïgenes
del Papiamentu y sobre los diversos elementos que integran este idioma,
carecfan de sólido conocimiento del Portugués.
"La mayor parte de los que se han ocupado de este tema estaban más o menos
familiarizados con el español, pero no con la otra importante lengua ibero-
románica, el portugués y esta limitación de horizontes los ha impulsado una
y otra vez hacia el origen español del Papiamentu", añade van Balen.
Como después se verá, estoy de completo acuerdo con v. Balen en reconocerle
a la lengua coloquial antillana una amplia base portuguesa, al mismo tiempo
se hará patente que discrepo de él en cuanto a atribuir tal base exclusivamente
a los "judïbs portugueses" (como se designa generalmente a los sefardïes que
hubieron de salir de la Penïhsula a partir de fines del siglo XV) procedentes
de Holanda, que en la segunda mitad del siglo XVII buscaron refugio en
Curazao y oriundos en parte de la metrópoli; en parte expulsados del Brasil,
donde se habïkn establecido primer o.
Pasemos ahora a considerar el medio histórico y social en el que se formó y
evolucionó el Papiamentu de jerga de esclavos a lengua de uso general, incluso
a lengua cultural.
Curazao fue descubierto en 1499 por el capitán espafiol Alonso de Ojeda, uno
14
de los que acompañaban a Colón. No fue sometida oficialmente a la jurisdic-
ción española la isla hasta 1527, año en que Juan de Ampies la incorporó al
imperio juntamente con las de Aruba y Bonaire. Los conquistadores impusieron
SU lengua a la población india que poblaba las islas de Sotavento, denominación
en que las agruparon. Asf tenemos que los indios de Curazao y Bonaire, que
en 1634 hicieron relacidn en Venezuela del desembarco de los holandeses, se
expresaban en buen castellano, aunque no sabib-n escribirlo, prueba elocuente
de lo intenso de la labor de difusión lingüistica realizada por los conquista¬
dores españoles entre la población indïgena cuya suerte, por lo demás, no les
preocupaba gran cosa. En efecto, al lado de otros ricos territorios Curazao
carecia de importancia para España, de forma que la guarnición esparfola de
esta isla era reducidïsima. Sin embargo, el dominio de las islas de Sotavento
por España no habïa de ser de larga duración, pues ya en 1634 Juan van Wal-
beeck y Pierre Ie Grand se apoderaron de Curazao sin encontrar resistencia,
comisionados por la Compañia de las Indias Occidentales, a la cual interesa-
ban las salinas y madera tintórica y sobre todo la favorable situación estraté-
gica de la isla. La guarnición española de Curazao, compuesta por 32 hombres,
fue trasladada al continente sudamericano junto con la mayor parte de la
población indïgena. La conquista de Curazao dio a los holandeses automática-
mente la posesión de Aruba y Bonaire. En 1635 sólo quedaban 75 indios en Cura¬
zao y en 1695 casi habïan desaparecido.
Con el cambio de dueño desapareció el castellano de Curazao. Pues, como ya
hemos dicho, la población autóctona fue expulsada casi totalmente con la
guarnición española a raïz de la conquista de los holandeses. Los que quedaron
habïan de ser bien pronto superados ampliamente en ndmero por los esclavos
negros, traidos de las colonias portuguesas de la costa Occidental de Africa,
donde desde mediados del siglo XV se hablaba una especie de portugués inter-
nacionalizado. Este litoral debe de haber albergado gran ndmero de negros,
nacidos allá, donde permanecïan a vee es mucho tiempo hasta ser vendidos a
los negreros europeos.
Como reacción al artïculo de van Balen que acabamos de citar, el Sr. Menkman,
miembro de la Redacción de la West-lndische Gids (=Guïa de las Indias Occi¬
dentales), llamó la atención del articulista y de los lectores en general hacia
algunas particularidades históricas de las que no queremos dejar de consignar
las más importantes. Señala Menkman que a mediados del siglo XVIII no era
aün norma que se compraran los negros en las factorïas holandesas, sino que
hasta en aquella época los negreros negociaban directamente con los trafican-
tes y los intermediarios de la costa Occidental de Africa. Y que para ese
tráfico se requerïa el conocimiento del portugués allá hablado, el llamado
portugués costeño, se infiere del relato de un pomerano, Joaquïh Nettelbeck,
que hacia 1750 realizó su primer viaje a bordo de un barco negrero holandés
y más tarde capitaneó numerosos barcos negreros holandeses que transporta-
ban esta mercaneïa humana a las Indias Occidentales Holandesas.
Segdn Nettelbeck esta lengua era una mezela de portugués, inglés, y africano,
siendo indiscutible el predominio del portugués. "Por lo que se refiere a
nuestros negreros", continda Menkman, "para ellos regïa la prohibición de
"conversatie" (=trato) con los pasajeros negros forzados, peho esta prohibición
se referïa más bien al trato sexual de la tripulación con las esclavas, lo cual
no obstaba para que en el salón prestaran servicio unas cuantas negras
jóvenes (las llamadas "damas de palacio"), asflo asegura a lo menos, Nettel¬
beck. Por lo tanto, durante los viajes largos (era frecuente que duraran unas
semanas), precedidos de una estancia a vee es más prolongada aün en el
litoral africano (juntar un cargamento de esclavos requerïa su tiempo) habfa
ocasión sobrada para que los blancos y negros llegaran a entenderse y el
vehïculo de acercamientono puede haber sido otro que el ya citado portugués
15
costeño, que también aprendïa la tripulación baja a veces de los marineros
negros, procedentes ellos de la costa Occidental de Africa. En los barcos
negreros holandeses era costumbre ocuparse mucho de los pasajeros negros,
procurarles la máxima distracción posible y mantenerlos en buen estado de
ánimo, desde luego por consideraciones puramente comerciales. ” Convengo
con Menkman en que un gran ndmero de esclavos no habrá tenido en efecto
que aprender el portugnés corrompido, usado en la costa Occidental de Africa
durante su permanencia a bordo, por la sencilla razdn de que esta lengua les
era más o menos familiar, pues seria excepcional el caso de que un negro,
capturado en el interior, fuese a parar directamente a barco negrero. Siendo
de tan diferentes procedencias y por causa de la diversidad de idiomas los
esclavos negros sólo podian comunicarse entre sï' valiéndose del portugyés de
uso general en la costa Occidental de Africa, adaptado a las caracteristicas
fonéticas, morfológicas y sintácticas de sus propios idiomas.
Asfvemos, pues, que ya en los centros de tráfico negrero del litoral Occiden¬
tal africano fue formándose un portugués acriollado. Al fundar Pedro Stuyve-
sant en 1647 un centro de comercio negrero en la isla de Curazao, que a más
de proveer a las colonias espafiolas de esclavos hizo de esta isla un centro de
la trata de negros de las Indias Occidentales, la evolución del negroportugués,
traido de Africa por los esclavos, originó allá el Papiamentu.
Nos sentiriamos inclinados a pensar que este chapurreo de los negros no
tardarfa en sufrir la influencia del holandés, lengua oficial de aquellos terri-
torios; lejos de ello, basta finales del siglo XIX la lengua de uso corriente en
las Antillas fue modificada sólo en grado muy reducido por el neerlandés, si
exceptuamos el vocabulario que como complemento indispensable tomó el
Papiamentu de aqu él. Este fenómeno tiene su explicación en el hecho de que
los holandeses nunca se ban preocupado de difundir su propia lengua, esfor-
zándose al contrarie, por hacerse con la de los pueblos sometidos. Asf es
que en el siglo XVII los capitanes de la flota de la Compañfa de las Indias
Occidentales estaban bastante familiarizados con el portugués por razén de
SU frecuente paso por el Africa Occidental y el Brasil. Del mismo modo las
autoridades militares y civiles de Curazao fueron durante la primera época
entrenadas en las factorïas brasileñas de la Compañia y si aprendian una
lengua extranjera, ésta habïa de ser naturalmente el portugués.
"La empresa curazoleña estaba basta tal punto ligada a la brasileña", dice Menkman,
"que en la sede holandesa de la Compañia los informes procedentes de Curazao
se archivaban inicialmente con los documentos recibidos del Brasil. "
La tripulación de los barcos negreros, que transportaban los negros de la
costa Occidental de Africa a las Indias Occidentales, sin excluir las Holande-
sas, temman que conocer el portugués, o al menos la variedad africano-occiden-
tal de este idioma. Podemos, pues, dar por sentado que casi desde un prin-
cipio los negros encontraban en Curazao un ambiente en el que se comprendïa
el chapurreo afroportugués que ellos mismo introdujeran y en el que los amos
holandeses se expresaban en una jerga lusitana que no se diferenciaba mayor-
mente del portugués corrompido usado en una extensa zona del litoral del
Africa Occidental. En estas condiciones el negroportugués importado en
Curazao no corria peligro de ser suplantado por el neerlandés.
Otros motivos de la subsistencia de la jerga de esclavos fueron la ampliación
de las plantaciones, el rápido crecimiento de la población negra, que originó
una fuerte desproporción entre blancos y negros y el hecho de que los negros
tuvieron conciencia de que poseian una lengua propia. Los holandeses llevaban
apenas veinte años en Curazao cuando vinieron a establecerse en la isla los
primer os "judïbs portugués es" expulsados del Brasil.
Sabido es que estos israelitas de origen portugués y español, llamados sefar-
dïes, que hubieron de salir de Portugal fueron llegando a los Pais es Bajos a
16
partir del año 1593, y que gran parte de ellos por temor a la Inquisición no
tardaron en emigrar al Brasil portugués y después a la zona holandesa del
Brasil.
Cuando las cosas tomaron alli" un aspecto desfavorable para los holandeses,
muchos sefardfes cuyo idioma patrio era el portugués pasaron a Curazao. A
éstos vinieron a unirse más tarde otros muchos colonizadores judibs de habla
portuguesa, procedentes tanto del Brasil como de Holanda. Excusado es
decir que parte de los colonizadores no judibs que fueron a Curazao a labrarse
un porvenir, procedian también del Brasil, de modo que hablaban igualmente
el portugués. Que los judibs de habla portuguesa establecidos en Curazao han
contribuibo a la formación y desafricanización de un idioma criollo derivado
principalmente del portugués, es cosa que nadie pretenderá ni podrá refutar.
Ahora bien, en mi opinión seria erróneo poner exclusivamente en cuenta de
estos colonizadores sefardlbs los numerosos elementos lusitanos del Papia-
mentu. En efecto, su ndmero e influencia inicial en la colonia holandesa -
en la que el holandés era lengua oficial y en la que dominaba la Iglesia Refor-
mada Holandesa - no eran bastante grande para eso. Otro argumento que cabe,
aducir es el escaso caudal de términos de portugués culto y el exces o de
rasgos africanos que conserva el Papiamentu. En estas condiciones se me
antoja que el dialecto criollo, formado de la relación entre los amos judaico-
portugueses y sus esclavos, ha ido diluyéndose poco a poco en la jerga de
esclavos negros, que a su vez era una derivacién del negroportugués traïdo
por éstos de Africa. Precisamente la afluencia ininterrumpida de nuevos
brazos del continente negro contribuyó a retardar el ritmo seguido por
el proceso de desafricanización de la lengua popular de Curazao. De otro
modo la población negra de la isla no habria tardado en perder todo contacto con
SU lengua africana primitiva y todo recuerdo de ella.
Sin embargo, no hay que buscar los restos lingüïsticos africanos en el voca-
bulario. La diversidad de idiomas hablados por los negros que iban llegando
constituia un serio obstáculo para la conservación de voces africanas.
Des de el momento en que el esclavo curazoleño no sentïa la menor afinidad
con el negro "bozal", es decir, el negro incivilizado del interior de Africa,
los restos lingüisticos en el terreno lexicográfico estaban condenados a una
muerte lenta, aunque segura.
(continda)
17
Nacemento di Cristo contá pa un Wardador di carné ; HUBERT BOOI
Loke mi por corda ta, cu mi tabata morto cansá e anochi ey, y m'a bai
tira mi curpa bao di un baranca, pasobra serena tabata cai.
Mi no por a pega sonjo, pasobra ainda mi por corda cu e carnénan tabata
masha inquieto y e cachó tabata ladra stroba mi di drumi.
Den esey m'a tende un suplá di cachu. Mes ora m'a bula lamta, pasobra
mi sa CU ora cualkie cos pasa, si tin un bestia feroz den becindario, mi com-
paneronan ta zuta alarma.
Prome cu mi kie sali for di bao di e baranca, m'a 'ripara cu tur e lugá
tabata manera di dia cla, y di tur banda mi tabata tende cantamento stranjo.
Mi kie tira mi bista riba mi otro companeronan, pero na e momento ey
mi ta tende un zonido manera cu ta baranca ta lora for di seru, y un cantidad
di claridad ta baha di laira, pone mi casi ciegu. No obstante mi por e distingi
un multitud grandi di criaturanan desconoci pa mi cu tabata bini di ariba y nan
tabata bisa tur huntu - mi n' ta corda muchu bon, pero si un cuenta di Dios,
si. Gloria na Dios.y hopi palabra mas.
Si, tambe e ültimo palabranan mi por corda, nan tabata menciona
"hendenan di bon boluntad”.
Di ripiente a sali un for di e grupo grandisimo. E tabata pará manera
riba un nubia.
Y CU un boz cu tabata penetra tur espacio el a bisa : "Awe a nace pa Boso
e Salbador" y cu pa nos bai tras di e strea, y nos lo haya e lugá caminda e
Rey a nace.
Momento cu el a caba di bisa esey, manera cu tur claridad a desparce y
tambe e criaturanan.
Ora CU mi hisa mi wowonan na haltu mi ta mira un strea cla, tur na rayo.
E momento ey m'a recupera. M'a sinti cu sanger a bolbe drenta mi curpa,
y mi a ripará cu nos tur tabata tembla di miedo.
E carnénan tabata ketu, ni un zonido mi tabata tende mas.
Poco poco mi a bini na mi mes, E otrq companeronan a hala yega serca, te
cu porfin un di nan a kibra e silencio y a propone pa nos sigi e indicacion di e
criatura celestial y sigi tras di e strea cu tabata briya den firmamento.
Asina nos a haci. Nos a sigi e strea te yega na un cueba den baranca. Tur e
lugá tabata iluminá. Mi curazon tabata bati di emoción, y mi rosea tabata
subi baha. Drentando e cueba mi bista a cai riba un Nino chikitu drumi den un
baki pa duna bestia cuminda.
Un señora hoben tabata na rudia dilanti, y tabata yora di alegria, mientras
SU esposo tabata para mira cu debocion.
Y di pronto a bolbe bin den mi memoria e palabranan di e criatura celestial
CU a bisa : "Awe a nace pa Boso e Salbador".
Nos tur tabata ketu. . . . solamente nos por a scucha e yorá chikitu di e
Juchi CU tabata sinti friu.